Worm en donder - fragmenten

Trap des ouderdoms

De toestand in de wereld

“Tegen het einde van de achttiende eeuw staat de mensheid er niet best voor. Die indruk krijgen we tenminste uit Eeuwfeest by den aanvang der negentiende eeuw. Het is een allegorisch theaterstuk met muziek, geschreven door de jurist, literator en kantiaans Verlichtingsdenker Johannes Kinker (1764-1845). ‘Het tooneel’, zo schrijven de regieaanwijzingen voor, ‘verbeeldt eene woeste plaats’: Hier en daar vertoonen zich ruïnen en overblyfsels van voormalige praalgebouwen. Op den voorgrond ziet men den ingang van een spelonk. Het is nacht. Men hoort van tyd tot tyd zware donderslagen. Onder het spelen van eene onstuimige ouverture gaat het gordyn op. Van links komen nu de personages Toorn, Haat, Afgunst en Wraakzucht op, voortgeleid door het fanatisme (‘Geestdrift’). Ze verlaten het toneel aan de rechterzijde, gevolgd door Mars en Bellona. Deze oorlogsgoden zitten op een krijgswagen die door twee leeuwen wordt voortgetrokken. Dan volgen enige vrouwen die de Wanhoop voorstellen. Nu komt de hoofdpersoon op. Het is de Mensheid, die een lange monoloog opent met de woorden: ‘Ik vlucht dan vruchteloos! My blyft geen schuilplaats meer, / Waar ’k veilig my verberg, voor hun onzalig woeden!’ De achttiende eeuw was zo hoopvol begonnen voor de Mensheid. Het was ‘die eeuw, waarop myn oog, / Met zoo veel vrolykheid, zoo vol verlangen staarde’. Nu heerst alom duisternis. Toch is nog niet alles verloren. De Mensheid kan zich nog redden door het belangrijkste personage in het stuk, de Rede, als leidsvrouw te nemen: ‘Ach, wierd door haar myn wanklend hart bestierd!’ Dan is er uitzicht op vrede en zal Europa herrijzen: ‘U wenkt een schooner eeuw, van beter toekomst zwanger.’” .

Schrijversportretten

“Waar de meeste literatoren het moeten doen met één of twee portretten, ontstaat rond Bilderdijk een windhandel in afbeeldingen. Onderweg door Groningen, aan het begin van zijn jarenlange ballingschap, klaagt de auteur in 1795 over deze woekerhandel: ‘Dan heb ik Geleerden, die zich bij mij of mij bij hen meeten willen. Schilders, die mij pourtraiteeren en silhouëtteeren willen, en met mijn wel of kwalijk gelijkende aftreksels een van de grootste takken van koophandel en fabrijken oefenen, die thands onder de Groningers plaats heeft…’ Die portretfabriek zou, zo pocht Bilderdijk, vooral gretig bezocht worden door smachtende dames: ‘Drijf vrij den spot met mijn zwarten, afzichtelijken kop. Gij weet niet, hoe veel Groningsche Dames mijn silhouette moeten hebben. En Zusjen-lief, hoe weinig ik ook beloove, ik interesseer de sexe nog al.’”

De broodschrijver

“Aan het einde van de eeuw is de strijd om erkenning van het betaald schrijverschap nog steeds niet gestreden. Dat blijkt wel uit het feit dat we rond 1800 nog dikwijls protesten zien tegen het minachtend gebruik van de term ‘broodschrijver’ voor mensen die van het schrijven hun beroep proberen te maken: Is de koning zelf niet koning om zyn brood te winnen? men zou hem dus even ongevoegelyk broodkoning kunnen noemen; de predikant is dus, doorgaans, broodpredikant; de koopman broodkoopman; de schilder broodschilder; de muzikant broodmuzikant; de akteur broodakteur; de tapper broodtapper; en eindelyk, de broodbakker is brood-broodbakker.”

Schrijvende vrouwen

“Venijnig schetst Wolff de penibele situatie waarin vrouwen met letterkundige ambities zich begeven. Als ze goed kunnen schrijven, noemen mensen hen verstandig en kundig, maar vervolgens schuwt men dit soort ‘pedante’ en ‘vieze’ [kieskeurige] geletterde dames. De andere vrouwen lachen de savante uit van achter hun waaier en ‘De knegts zelfs zien ons aan, als of me [men] ons uit Blaauw Jan gehaald had.’ Met de verwijzing naar ‘Blauw Jan’, de dierentuin in Amsterdam, waarin ook reuzen en dwergen werden tentoongesteld, wordt de schrijvende vrouw tot een exotische rariteit gemaakt: interessant, maar een beetje eng, een curiosum. Vrouwen dienen zich niet te onttrekken aan de gemeenschap om in afzondering te lezen of te schrijven.”

Willem van Swaanenburg

“Van Swaanenburgs verzen zijn dreunende, donderende orakelspreuken, uitbarstingen van creatief poëtisch geweld met een hallucinerende werking. Zoals Johnny van Doorn de twintigste-eeuwse poëzieliefhebber zal verrassen met ‘Een magistrale stralende zon’, zo overrompelt Van Swaanenburg het publiek van zijn tijd met regels als ‘Ik stak al ’t ys in brand, en deed den Zoomer danssen / Op klompen van robyn, langs vagt van elpenbeen.’ En het gedicht Chaös of Swaanenburgs overstulpte digtluim begint met de regels: Het lust my op een bas, met hart gespanne snaaren, Van styven wind gezweept, den aardbol om te vaaren; Te zien van ’t bruissend zout, hoe ’t in de wereld gaat, En of Jupyn de vlag, als ’t hoort, nog waaijen laat: Of Mars in ’t yzer brult, by ’t blaffen der kartouwen, Die ruggen van arduin, met schorfte nagels krouwen; Of dat hy borsten kneet, op dons van armelyn, En lelybronnen tapt uit tepels van robyn. Dit is duidelijk andere koek dan de in zijn dagen gangbare, nogal verstandelijke poëzie. Van Swaanenburg is zich hier heel goed van bewust. Over zijn ‘Parnasdreun’ zegt hij in de voorrede bij zijn Parnas dat het ‘een onredelyk Vaers, ja een Quintessens van alle onredelyke Gedigten’ is.”

De idyllle

“De idyllische traditie bloeit in de zeventiende eeuw, maar daarna gaat de fleur er toch wat af. Populair blijft de herderscultus op het niveau van de liedjes voor thuis en in gezelschap. Vroeg in de achttiende eeuw wordt een groot aantal daarvan verzameld in een driedelige bundel, Thirsis minnewit, waarvan tot ongeveer 1770 enkele tientallen herdrukken, aanvullingen en navolgingen verschijnen. Hoewel de liefde het hoofdthema is, staat de bundel vol met verwijzingen naar de idyllische natuur. Vaak gebeurt dat kort. Een paar zinnen zijn voldoende om het lieflijk behang te creëren voor een amoureuze belevenis: Lestmaal in ’t rysen van een koele morgen Zo heb ik myn begeven op de Jagt, Al op een weggetje onbedagt: Vond ik een Maagdetje zitten verborgen, Onder de bomen daar ’t zo groene was. De vogelen die zongen met genugten; ’t Gedierte maakte daar een zoet geluit Filander speelden op zyn Fluit, [...] Doen zag ik aan, haar snee witte borsjes, Zo zoetjes op en dan weer neder gaan. Enzovoorts. De natuur is echter meer dan behang alleen. De mens maakt er een onderdeel van uit en kan zo leren van zijn medeschepselen. De natuur leert de mens lief te hebben, zoals in het lied ‘Ik ging lest wandelen door een hof’. Het bezingt de paringsrituelen van duiven, bokken en geiten, koeien en stieren, eendjes en kippen: ‘’t Haentje op het Hennetje sprank, / En vatten hem in zyn kuifje.’ Zelfs de kleinste mieren ‘paaren Paar aan Paar’. En dan durft de zanger de vraag aan zijn geliefde te stellen: ‘Gy bent evenwel een Mier, / Een van ’t alderkleynste Dier, / Zoekt gy ook mee te paaren?’”

Het einde van het hofdicht

“Waar Willem van der Pot nog had geprobeerd in harmonie te leven met zijn Oranje-buurman, kiest zijn zoon Cornelis van der Pot openlijk het patriotse pad. Hij speelt een actieve rol in de patriottenopstand van 1787, onder andere door de orangistische schout van Honselersdijk in hechtenis te nemen. Het zal hem duur komen te staan. Na de Pruisische inval, wanneer Cornelis is weggevlucht naar Frankrijk, wordt Endeldijk onder het toeziend oog van de verbolgen schout systematisch afgebroken, steen voor steen. Het huisraad en de tuinsieraden worden stukgeslagen of geroofd. Door de schout betaalde werklieden veranderen de omliggende bossen in hakhout. Ramptoerisme bestond ook in de achttiende eeuw al. Cornelis van der Pot schrijft vol walging: ‘zeker is ’t [...] dat meenig vreemdeling dat schandtoneel bezogt’. De getraumatiseerde Cornelis zal pas na 1795 de schade kunnen herstellen, niet alleen in stenen, maar ook in woorden. In 1799 publiceert hij een van de laatste Nederlandse hofdichten: Endeldijk in zijne vernedering en herstelling. Het is het trieste relaas van een gedesillusioneerde landheer.”

De natuur als godsbewijs

“Tijdgenoten merken al op dat dergelijke toelichtingen de zaken misschien wel duidelijker, maar niet dichterlijker maken. Iets dergelijks geldt ook voor de literaire kunstgreep om technische termen als ‘microscoop’, ‘telescoop’, ‘eierstokken’ en ‘barometer’ te vervangen door omschrijvingen als ‘Lewenhoeksche glazen’, ‘Gregori’s buis’, ‘Fallopiaansche pypen’ en ‘Toricellies glazen’; de remedie lijkt hier erger dan de kwaal. Een probleem is verder dat de meest geliefde vormen en de meest gehanteerde thema’s van het fysicotheologische godsbewijs al snel enigszins banaal kunnen overkomen. Zo bijvoorbeeld de gedachte dat eb en vloed geschapen zijn om het zeewater te zuiveren en om kusten en havens gemakkelijk toegankelijk te maken voor verschillende soorten schepen. Al in een heel vroeg stadium maken critici de tegenwerping dat er zeeën bestaan, zoals de Zwarte Zee en de Kaspische Zee, die geen eb en vloed kennen maar toch niet troebel zijn. En wie meent dat de getijdenwisseling bedoeld is om de scheepvaart te vergemakkelijken, kan volgens hen net zo goed zeggen dat God de mens een neus heeft gegeven om er een bril op te kunnen zetten.”

George Washington als wijnboer

“De Vos van Steenwijk bevindt zich in het reisgezelschap van de eerste Nederlandse ambassadeur, die zijn geloofsbrieven gaat aanbieden aan het Congres, maar hij zet op een gegeven moment de reis met een kennis voort als particulier. ‘De vismarkt is hier beter dan te Philadelphia, dog ’t kan niet in comparatie [vergelijking] met een stad in Holland komen’, zo noteert de jonge reiziger over New York onder meer. Wel is de stad volgens hem ‘gerenommeerd wegens de oesters, die in grote en blankheid de andere Amerikaansche verre overtreffen’. Interessant zijn echter vooral de contacten die De Vos van Steenwijk beschrijft. Zoals dat met de bewonderde generaal en latere president George Washington, die hij en zijn reisgenoten bij verschillende officiële gelegenheden in actie zien, en bij wie ze ook thuis even langsgaan. De generaal heeft zich na zijn militaire successen tegen de Engelsen teruggetrokken op zijn landgoed Mont Vernon. Nu kan hij zich eindelijk weer wijden aan werkelijk belangrijke zaken: Hij bragt ons in zijne stallen, waarvan er één in brand was geweest. Hij toonde ons verder dat hij voor den oorlog de nieuwsgierigheid gehad had om te proberen of men van wilde wijngaardplanten, zorgvuldiger in tuijnen gecultiveerd, wijn konde maken. Dat zulks in zijne absentie genegliseerd [verwaarloosd] zijnde, hij het nu wederom tenteren [proberen] wilde. Washington dringt er vriendelijk op aan dat zijn gasten blijven logeren. Maar die trekken verder, tevreden dat ze de grote man nu verschillende malen te zien hebben gekregen, ‘én in zijn publiek character én als een privaat persoon’. De formulering toont hoezeer de verhouding tussen het privéleven en het openbare leven voor de jonge reiziger een punt van aandacht vormt.”

De bedelaar

“Bij Van Alphen zien we de vader en de moeder, de broertjes en de zusjes, de tuinman en de baker, de hond en de kat, het tamme sijsje en de koolmees, de roos en de vallende bladeren, de boeken en het clavecimbel, de priktol en de hoepel. Slechts zelden komt het kind hier in de boze buitenwereld. Daar wordt het dan ook meteen geconfronteerd met betreurenswaardige verschijnselen zoals de bedelaar: Die afgeleefde man, die bijkans nakend zit, En trillend van de kou, mij om een duitje bidt, Is even goed als ik. Gods wijsheid gaf alleen Mij wat meer geld dan hem. Ben ik dan beter?... Neen. Een vroom en eerlijk mensch draagt dikwijls slegte kleeren, Ik wil dan ook de deugd in arme menschen eeren. Die met veragting op hem ziet, Doet naar ’t bevel van Jesus niet.”

Wolff en Deken

“Critici mogen Cornelia Wildschut te grote zwart-wit-tekening van de personages hebben verweten, daar valt tegenin te brengen dat de samenleving in de jaren 1790 ook in werkelijkheid wemelt van de extreme personages. Radicale filosofen, atheïsten, politieke dwepers, dwalende geesten, orthodoxe scherpslijpers, apathische of gewelddadige heersers, en ook sociale klimmers, zoals de plots machtig geworden sans-culottes in Parijs. In een dergelijke situatie is het van groot belang om harmonieuze en bruikbare ‘Medeburgers voor den Staat en den Hemel’ te garanderen. In het verlies van dit ene meisje ligt het failliet van een samenleving besloten.”

Wolff en Wolff

“Een productief huwelijk is, zo leert de achttiende-eeuwse literatuur ons, het resultaat van een geslaagde balanceeroefening. De partners mogen niet teveel uiteenlopen in sociale achtergrond, rijkdom of leeftijd. Literatoren halen ook in de achttiende eeuw nog graag het bekende stereotype van de oudere man met het jonge kippetje van stal: ‘Eene fluksche maegd aen eenen suffenden grijsaerd gekoppeld, krijgt haer geroep om kindren, met knorren en kuggen beantwoord, of slijt kwijnende het beste deel haerer dagen met eenen knikkebollenden Vader.’ Hoe zeer stereotype en werkelijkheid uiteen kunnen lopen blijkt wel uit het feit dat de bundel waaruit dit citaat afkomstig is, Mijne uitspanningen (1758), wordt toegeschreven aan Betje Wolff. Zij zal een jaar later als 21-jarig meisje trouwen met de 52-jarige dominee Wolff.”

Het geloof

“Zeeus geeft een hele catalogus aan voorbeelden van de bedrieglijke en corrupte praktijken der kerkdienaren door de eeuwen heen. Wat hem vooral interesseert, is hoe de kerk er steeds in geslaagd is haar ‘valsche leere’ als geloofswaarheden te verkopen. Dat gebeurt onder andere door de kerkleer met de paplepel in te gieten: ‘d’Onvaste jeugt wordt door haer bakermoêr bedrogen.’ Het liefst houdt men de gemeenschap van gelovigen ‘blint, gelyk een mol die onder d’aerde wroet’. Door machtswellust gedreven likt de kerk zich in bij de wereldlijke overheid en kan zo het beleid mee bepalen. De verwevenheid van kerk en staat geeft aanleiding tot ‘felle stokenbranden’, waarbij priesters er geen probleem in zien het gepeupel op te hitsen om hun zin door te kunnen drijven. In dit soort machinaties staan de heidense en katholieke priesters niet alleen. Ook de protestantse kerk heeft zich geregeld bezondigd aan geloofsdwang, censuur, intolerantie en bedrog. Voor de verlichte dichter is dit een essentieel gegeven: kennis dient vrij te zijn en niet afgeschermd te worden voor de onderzoekende geesten. Daarom windt hij zich ook op over de manier waarop verlichte auteurs zoals Descartes in de Republiek zijn behandeld: ‘En, och! waer Kartes nogh de laetste maer geweest, / Die heeft geleden om de leiding van zyn geest.’”

De politiek

“Bij de voorstelling van Willem V als een zwakkeling en een klein kind past dus het antibeeld van Wilhelmina van Pruisen als dominante echtgenote. Zij is de kwade genius achter de stadhouder. Zowel thuis als in landzaken deelt zij de lakens uit. Dit zal ook het motief op de achtergrond zijn voor de sekseverandering die het personage Eigenbaat in deze periode ondergaat. In het dichtstuk De Eigenbaat (1784), waarmee de patriotse predikant Bernardus Bosch de gemoederen verhit, is Eigenbaat namelijk een vrouw geworden, en bepaald geen verleidelijke vrouw. Eigenbaat vertelt de hoofdpersoon uit het gedicht grijnzend hoe zij met List en Nijd en Judas het land der vrije burgers heeft onderdrukt, leeggeschraapt en uitverkocht aan de Britten. Het moge duidelijk zijn tegen wie het vers gericht is: tegen de vermeende ‘landbeschermers’, die ‘uit verbasterd zaad van Bato voortgeteeld’ zijn.”